Tijd: Overdenking van de maand

Heeft u wel eens goed nagedacht over het begrip ‘tijd’? Tijd lijkt voor ons heel gewoon. We leven met tijd, met klokken en horloges,
met afspraken om zo en zo laat. Toch heeft tijd ook iets wonderlijks.
Er is een verleden tijd. Er waren eens dingen en mensen die er nu niet meer zijn. Waar is dat verleden toch gebleven?
Er is een toekomende tijd. Weten we wat gaat komen? Maar ook die toekomende tijd wordt ooit eens verleden tijd.
Dat er verleden tijd is en toekomende tijd: dat is logisch. Er ligt tijd achter ons, en er is nog tijd vóór ons. Maar er is ook een heden, een ‘nu’. We leven in het heden. Maar wat is nou dat heden? Bestaat er een ‘nu’? Is ‘nu’ een fractie van een seconde?
Zodra je ‘nu’ zegt, wordt dat ‘nu’ alweer direct verleden tijd. Al het heden verdwijnt meteen in het verleden. Toekomst wordt verleden tijd. De vakantie die je nu hebt gepland voor in de zomer is straks, als het herfst is alweer voorbij.
Tijd hoort bij ons aardse leven. En omdat wij tijd kennen, weten we van een begin en een einde.

Maar God noemen we de Eeuwige. Dat is niet zomaar een gekozen naam. Wij spreken over de Eeuwige omdat God zich bekend heeft
gemaakt met de naam JHWH; een naam die lastig te vertalen is, maar met het werkwoord ‘zijn’ te maken heeft. In Openbaring 1 schrijft
Johannes als een soort aanhef: “Genade zij u en vrede van Hem die is, die was en die komt.” De Godsnaam vertelt ons over de Eeuwige: Hij
die is, die was en die komen zal. Alle tijden vallen hier samen. Eeuwig is hier dus niet een aards tijdsbegrip. Bij ons stroomt de tijd. Maar
hier vallen alle tijden samen. Zo is ook het eeuwige leven niet zoiets als een oneindige voortzetting van het leven hier, maar een thuiskomen in Gods eeuwigheid. Groningers (maar ook Drenten en Tukkers) hebben dat over het algemeen in hun taal beter begrepen
dan de mensen uit het westen van het land, als zij het sterven benoemen als “uut de tied goan”, “oet de tied kommn”.

Alle drie de tijden vallen samen in de naam waarmee God zich heeft doen kennen. In Gods naam wordt alles één. Luidt zo ook niet de
geloofsbelijdenis van Israël: “Hoor Israël, de Heer onze God, de Heer is één.” En dat heeft iets troostends.
Waar blijven de dingen die in onze tijdsbeleving verdwijnen? Dat alles is geborgen in Gods naam, in Hij die is, die was en die komen zal. Heel ons bestaan is omvat in die ene Naam. Niets gaat bij God verloren. Alles heeft er zijn plek, met dit verschil dat wat bij ons uit elkaar gaat, bij God geheeld wordt, één wordt. Zo mogen we in vertrouwen achter ons laten wat geweest is en in vertrouwen de toekomst tegemoet gaan.
Ik wens u allen – mede namens Frits – een gezegend 2026 toe!
ds. Jac. van Veen